‹ terug naar blog

Nieuwe bewijsregels in burgerlijke zaken vanaf 1 november 2020

Recent werd de Wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 ‘Bewijs’ in dat Wetboek goedgekeurd (BS 14 mei 2019). Met deze wet wordt het bewijsrecht vooral aangepast om te kunnen inspelen op de moderne technologische evoluties en op de specifieke bewijslastproblematiek die deze met zich meebrengen.

Het nieuwe boek 8 telt drie hoofdstukken: (i) een eerste inleidend hoofdstuk met  toepasselijke definities en algemene regels van bewijsrecht, (ii) een tweede hoofdstuk over de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen, en (iii) een laatste hoofdstuk over de bijzondere regels van het bewijsrecht.

De meest interessante wijzigingen zijn:

  1. De versoepeling van de bewijsregels voor de rechtshandelingen tussen niet-ondernemingen.

Een schriftelijk bewijs is in de toekomst enkel vereist voor rechtshandelingen die de waarde van 3.500 EUR (i.p.v. voordien 375 EUR) te boven gaan. Voor rechtshandelingen lager dan 3.500 EUR zijn e-mails, sms-berichten, getuigen en vermoedens dan een voldoende bewijs.

  1. De uitbreiding van de vrije bewijsvoering (ook voor rechtshandelingen boven 3.500 EUR) tussen handelaars naar alle ondernemingen, zo ook de vrije beroepen en landbouwers.

Het vrije bewijs geldt enkel voor handelingen gesteld door een onderneming. Een partij die geen onderneming is, kan vrij bewijzen tegen een partij die wel een onderneming is, maar niet omgekeerd.

  1. De veralgemening van het vrije bewijsrecht voor alle eenzijdige rechtshandelingen, ongeacht de waarde ervan.

Er geldt echter een uitzondering voor eenzijdige verbintenissen tot betaling van een geldsom, waar toch een geschrift is vereist en de bedragen voluit moeten zijn vermeld. Voor de datum geldt een bijzondere regeling.

  1. De uitbreiding van de bijzondere wettelijke bewijswaarde van een aanvaarde of niet binnen redelijke termijn betwiste factuur naar alle types van facturen (dus niet enkel koop-verkoop, maar ook bv. vervoer of andere diensten).

De niet-betwiste factuur levert immers het bewijs van de aangevoerde rechtshandeling op; een tegenbewijs is mogelijk.

  1. De invoering van een nieuwe bevoegdheid voor de rechter om de bewijslast tussen partijen om te draaien.

Waar in beginsel de bewijslast rust op de partij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, zal de rechter in de toekomst de partij die in rechte wordt aangesproken met dat bewijs kunnen belasten. De rechter zal dit slechts kunnen doen op gemotiveerde wijze en enkel in geval van buitengewone omstandigheden wanneer de toepassing van de normale bewijslastregels kennelijk onredelijk zijn. De rechter kan dit dus doen pas nadat hij alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen waaraan partijen hebben meegewerkt, maar die niet tot voldoende bewijs hebben geleid.

  1. De invoering van het “bewijs door waarschijnlijkheid” als voldoende bewijs voor negatieve feiten (nl. iets dat niet heeft plaats gevonden).

Als uitzondering op het algemene principe dat bewijs met een redelijke mate van zekerheid moet worden geleverd, zal het bewijs van een negatief feit in de toekomst kunnen worden geleverd aan de hand van de waarschijnlijkheid daarvan. Op basis van stukken, feiten of omstandigheden wordt waarschijnlijk gemaakt of iets niet is gebeurd. Dergelijk bewijs is enkel mogelijk als alle partijen aan de bewijsvoering hebben meegewerkt. Ook bij positieve feiten kan het aantonen van de waarschijnlijkheid volstaan als door de aard van het feit het niet mogelijk of redelijk is om een zeker bewijs te kunnen leveren.

Deze nieuwe bewijsregels treden pas inwerking op 1 november 2020.

Jasmine MALEKZADEM