‹ terug naar blog

Gemeenten en provincies mogen geen omgevingsvergunningen verlenen aan zichzelf

Het Grondwettelijk Hof vernietigde in haar arrest van 18 september 2025 met nummer 122/2025 in de zaak met rolnummer 8357 artikel 5 van het nieuwe decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft en bevestigde daardoor de eerdere rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen inzake het “no conflict-of-interest”-principe, dat bekend was komen te staan als het zogenaamde Wasserijsite-arrest.

De project-MER-richtlijn beoogt om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben te onderwerpen aan een beoordeling van hun effecten vooraleer er hiervoor een vergunning wordt verleend[1].

Artikel 9bis project-MER-richtlijn voorziet daarbij in functie van een nuttige werking van de project-MER-richtlijn een algemeen ‘no conflict of interest’-principe.

Dit principe verplicht lidstaten om ervoor te zorgen dat de bevoegde instanties hun taken op objectieve wijze vervullen en zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft, waarbij ze ingeval dat de bevoegde instanties tevens de opdrachtgever zijn (lees: initiatiefnemer en/of (feitelijke mede-) aanvrager) in elk geval binnen hun organisatie van administratieve bevoegdheden een passende scheiding dienen aan te brengen tussen de conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit de richtlijn voortvloeiende taken[2].

Met het oog op de omzetting van dit zogenaamde “no conflict-of-interest”-principe vervat in artikel 9bis van de project-MER-richtlijn werd in Vlaanderen een artikel 15/1 OVD aangenomen dat voorziet dat de bevoegdheid voor de kennisname van een beslissing over een vergunningsaanvraag verschuift naar provinciaal, respectievelijk regionaal niveau, wanneer een milieueffectrapport moet worden opgesteld en er geen ontheffing van die rapportageverplichting verkregen werd en de bevoegde overheid initiatiefnemer en aanvrager is van het project[3].

In het kader van het intussen alom bekende Wasserijsite-arrest werd de Raad voor Vergunningsbetwistingen verzocht zich uit te spreken over dit artikel 15/1 OVD en het “no conflict-of-interest”-principe vervat in artikel 9bis van de project-MER-richtlijn.

Bij arrest van 6 oktober 2022 oordeelde die Raad voor Vergunningsbetwistingen dat voormelde bevoegdheidsverschuiving voorzien in artikel 15/1 OVD niet enkel dient te gelden voor projecten waarvoor er een milieueffectrapport moet worden opgemaakt maar ook voor screeningsplichtige projecten.

Het gegeven dat de omgevingsambtenaar bij screeningsplichtige projecten overeenkomstig artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid OVD de taak heeft om de screeningsnota bij de aanvraag te onderzoeken en op basis daarvan te beslissen of er een over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend doet in het licht van het ‘no conflict of interest’- principe uit artikel 9bis project-MER-richtlijn niet anders besluiten.

Er wordt volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het kader van de organisatie van de vergunningsprocedure in eerste bestuurlijke aanleg immers geen afdoende passende scheiding aangebracht tussen de conflicterende functies bij het uitvoeren van de taken op basis van de project-MER-richtlijn, zodat niet wordt gegarandeerd dat de bevoegde instanties hun uit deze richtlijn voortvloeiende taken op objectieve wijze kunnen vervullen en zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft, zoals beoogd door artikel 9bis van de project-MER-richtlijn[4].

Het Wasserijsite-arrest leidde tot veel consternatie omtrent de bevoegdheid van gemeentes en provincies om te beslissen over eigen screeningsplichtige projecten.

De decreetgever heeft geprobeerd daaraan een einde te maken door de aanname van het decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft.

Daarin werd expliciet vastgelegd dat de bevoegdheidsverschuiving voorzien in artikel 15/1 OVD niet van toepassing is als louter een project-MER-screening aan de aanvraag dient te worden toegevoegd.

Daarbij werd door de decreetgever uitdrukkelijk verwezen naar de tussenkomst van de omgevingsambtenaar als onderzoeker van de screeningsnota voorzien in artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid OVD. De onafhankelijkheid en neutraliteit van de omgevingsambtenaren werd daarbij decretaal verankerd als principes die te allen gevrijwaard moeten worden[5].

In tussentijd was er echter tegen het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen reeds cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak[6].

Dit leidde tot het arrest met nummer 259.259 van 26 maart 2024, waarin door de Raad van State aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de hiernavolgende prejudiciële vraag werd gesteld:

“Dient artikel 9bis van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, ingevoegd bij richtlijn 2014/52/EU van 16 april 2014, zo te worden uitgelegd dat, in de gevallen waarin de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, de passende scheiding tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit de richtlijn voortvloeiende taken, eveneens moet worden aangebracht voor de beoordeling of de in artikel 4, lid 2, van de richtlijn bedoelde projecten onderworpen worden aan de beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn ?”

Het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoordde daarop bevestigend en duidde in niet mis te verstande woorden dat het ‘no-conflict-of-interest’-principe vervat in artikel 9bis project-MER-richtlijn wel degelijk van toepassing is wanneer het project aan een screeningprocedure is onderworpen.

Dit vloeide volgens het Hof niet enkel voort uit de bewoordingen van artikel 9bis van de project-MER-richtlijn zelf maar ook uit de context van de bepaling, teleologisch oogpunt en de ontstaansgeschiedenis van artikel 9bis van de project-MER-richtlijn.

Dit betekent volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie dat overheden ook bij de beoordeling van screeningsplichtige projecten minstens binnen hun organisatie van administratieve bevoegdheden een passende scheiding dienen aan te brengen tussen de conflicterende functies wanneer zij tevens de opdrachtgever zijn van het betrokken project.

Die passende scheiding moet op zodanige wijze worden ingericht dat een administratieve eenheid binnen de instantie die bevoegd is voor die beoordeling, beschikt over een werkelijke autonomie, wat met name inhoudt dat zij beschikt over eigen administratieve middelen en personeel en aldus in staat is om haar taak op objectieve wijze te vervullen.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigde aldus op dit punt de zienswijze van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het is echter aan de Raad van State om uitspraak te doen over het ingestelde cassatieberoep gericht, daarbij dient zij evenwel rekening te houden met dit antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door haar gestelde prejudiciële vraag[7].

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie veroorzaakte heel wat consternatie die niet beperkt bleef tot de contouren van het dossier omtrent de Wasserijsite, er rezen ook heel wat vragen rijzen omtrent de conformiteit van het recente ingrijpen door de Vlaamse decreetgever met de lezing die door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd gegeven aan het ‘no-conflict-of-interest’-principe vervat in artikel 9bis project-MER-richtlijn

In een voorlopig laatste hoofdstuk van de saga diende het Grondwettelijk Hof zich bij arrest nr. 122/2025 van 18 september 2025 uit te spreken over artikel 5 van het nieuwe decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft, in het licht gelezen van onder meer artikel 9bis project-MER-richtlijn en het daarin vervatte ‘no-conflict-of-interest’-principe.

Dit artikel 5 voorzag zoals eerder toegelicht in de invoeging van een derde lid aan artikel 15/1 OVD, dat luidde als volgt:

"Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als louter een project-MER-screening aan de aanvraag wordt toegevoegd. In dat geval is artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid, van toepassing."

Dit decretaal ingrijpen voorzag aldus dat gemeenten en provincies toch zelf konden beslissen over hun eigen vergunningsaanvragen die screeningsplichtig waren, waarbij de screeningsnota beoordeeld zou worden door de omgevingsambtenaar.

In zijn analyse maakte het Grondwettelijk Hof na verwezen te hebben naar de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Hof van Justitie van de Europese Unie onder meer de volgende overwegingen:

“B.15.3. Zoals is vermeld in B.12, zijn de gemeentelijke en provinciale omgevingsambtenaren die de project-MER-screeningsnota in de in B.11.2 omschreven situatie dienen te beoordelen, ambtenaren van de gemeente, respectievelijk de provincie, waarbij het college van burgemeester en schepenen van die gemeente, respectievelijk de deputatie van die provincie, in die situatie de initiatiefnemer en aanvrager van het project zijn.

Weliswaar worden die ambtenaren in hun functie aangewezen door de gemeenteraad, respectievelijk de provincieraad, zijnde de verkozen organen van de gemeente en de provincie, en heeft de decreetgever bepaald dat zij hun taken onafhankelijk en neutraal uitoefenen. Die elementen kunnen evenwel niet volstaan opdat de voormelde ambtenaren over « een werkelijke autonomie » beschikken in de zin van het voormelde arrest van het Hof van Justitie. Het decreet van 25 april 2014 voorziet niet in afdoende structurele en organisatorische waarborgen opdat de omgevingsambtenaren, in de in B.11.2 omschreven situatie, steeds met de vereiste objectiviteit zouden kunnen oordelen over de project-MER-screeningsnota.

Bovendien bepaalt artikel 9, § 3, van het decreet van 25 april 2014 dat als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband beschikbaar is, de algemeen directeur van de gemeente (de vroegere gemeentesecretaris) voor een periode van maximum twaalf maanden de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar kan uitoefenen. Gelet op het feit dat de algemeen directeur van de gemeente in zijn functie nauw samenwerkt met het college van burgemeester en schepenen, kan de regeling volgens welke een project-MER-screeningsnota, in de B.11.2 omschreven situatie, door die algemeen directeur wordt beoordeeld, bezwaarlijk worden gekwalificeerd als « een passende scheiding [...] tussen conflicterende functies » in de zin van artikel 9bis van de richtlijn 2011/92/EU”

het Grondwettelijk Hof oordeelde dat (gemeentelijke of provinciale) omgevingsambtenaren op vandaag niet beschikken over werkelijke autonomie bij het uitvoeren van de beoordeling van de screeningsnota voorzien in artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid OVD

Het besloot op basis daarvan tot de vernietiging van artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft, houdende de invoeging van een derde lid aan artikel 15/1 OVD.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde daarbij de zienswijze van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat (provinciale en gemeentelijke) overheden op vandaag bij gebrek aan een afdoende passende scheiding tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de taken op basis van de project-MER-richtlijn geen eigen projecten kunnen beoordelen indien die screeningsplichtig zijn[8].

Het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid heeft in een eerste reactie aangegeven de uitspraak van het Grondwettelijk Hof verder te zullen analyseren en mogelijke remediëringspistes te zullen onderzoeken, de saga kent aldus nog geen einde.

Om de interimperiode te overbruggen adviseert zij om nieuwe screeningsplichtige vergunningsaanvragen die door de bevoegde overheden zelf worden ingediend voorlopig op een hoger niveau in te dienen en te behandelen zoals dit al decretaal voorzien was in artikel 15/1 OVD voor eigen projecten waarvoor een milieueffectrapport dient te worden opgesteld en er geen ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen[9].

Omgevingsvergunningen die in het verleden door gemeenten of provincies aan zichzelf zijn toegekend op basis van de vernietigde bepalingen zijn op dit ogenblik in principe onwettig en kunnen de wettigheidstoets van artikel 159 Grondwet niet doorstaan. Het Grondwettelijk Hof besloot immers in haar arrest om het verzoek tot handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen te verwerpen.

Het Grondwettelijk Hof geeft daarbij wel aan dat het gebrek aan handhaving, door het Grondwettelijk Hof, geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om, overeenkomstig artikel 36 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges om de rechtsgevolgen in stand te houden van een omgevingsvergunning die tot stand is gekomen met toepassing van de bestreden bepaling, desgevallend nadat hij daarover zelf een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie.

 

[1] Artikel 2 van de richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

[2] Artikel 9bis van de richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

[3] Artikel 15/1, eerste en tweede lid OVD.

[4] Arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 oktober 2022 met nummer RvVb-A-2223-0108 in de zaak met rolnummer 2122-RvVb-0713-A.

[5] Decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft.

[6] Arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak met nummer 259.259 van 26 maart 2024 in de zaken A. 237.675/VII-41.742 en A. 237.676/VII-41.743.

[7] Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025 in zaak C‑236/24.

[8] Arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 september 2025 met nummer 122/2025 in de zaak met rolnummer 8357.

[9] https://omgeving.vlaanderen.be/nl/arrest-grondwettelijk-hof-gemeente-of-provincie-mag-niet-meer-beslissen-over-eigen.